Nieuwe Delftse Poort (1995)
De oude Delftsche Poort werd in 1764 ontworpen door de hofarchitect van stadhouder Willem IV, Pieter de Swart. Hij bouwde deze poort op de locatie waar sinds de middeleeuwen eerst de Noorderpoort prijkte, en later de Sint Jorispoort. Het derde bouwwerk, de Delftsche Poort, bleef bestaan tot 1939 en was het bekendste bouwwerk in de stad.
Om de doorstroom van het toegenomen verkeer te bevorderen, had de gemeente besloten om de poort te verplaatsen. De bouwactiviteiten waren in volle gang toen de stad werd getroffen door het bombardement in 1940. Ook de fundamenten van de nieuwe poort raakten ernstig beschadigd, waarop werd besloten de gehavende stadspoort te verwijderen.
Doodzonde, vond kunstenaar Cor Kraat. Hij besloot de poort in zijn geheel na te bouwen, maar dan open en ruimtelijk. Door gebruik te maken van moderne staalprofielen, maar ook door originele artefacten en relicten toe te voegen, die zich sinds het bombardement nog in een opslagplaats bevonden. Op 18 mei 1995 werd de Nieuwe Delftse Poort aan het Pompenburg onthuld door minister-president Wim Kok. Die dag markeerde de vijftigste verjaardag van de wederopbouw.
De poort is een skelet van staal van 18 meter breed, 13 meter diep en 18 meter hoog, geschilderd in oranjerood menie waaraan ornamenten en relicten uit de oude poort zijn toegevoegd. De open structuur van het werk maakt de Nieuwe Delftse Poort tot een ontmoetingsplek, een openbare ruimte voor bezinning en verbeelding. Het bouwwerk oogt als een driedimensionale grafische tekening. Het kunstwerk lijkt in aanbouw, wat symbool staat voor het feit dat Rotterdam nog altijd aan het bouwen is. Op de oude poort stonden vier personages: Mercurius (God van handel en verkeer), de stedenmaagd, de Maasgod en de Rottenimf. Deze figuren keren gestileerd terug op de moderne poort. De Nieuwe Delftse Poort laat door de verbeelding van de oude stadspoort het Rotterdam van de 18e eeuw zien.